
U wilt weten hoe u uw BHV-organisatie moet opzetten? Dat zullen wij u hier onthullen.
Wilt u deze handleiding gebruiken op een website, in een artikel of een nieuwsbrief?
Dat mag, mits u daarbij een link vermeldt naar onze internetsite:
http://www.nedcert.nl en daarbij aangeeft dat deze handleiding is gebaseerd op de NedCert BHV methode.
Zoektip
Druk op Ctrl+f om te zoeken in deze pagina.
Inleiding
NedCert heeft in de kerncommissie Bedrijfshulpverlening bij de NEN de NedCert BHV methode gratis ter beschikking gesteld voor het opstellen van de NEN 4000, welke norm hierop is gebaseerd. In deze handleiding wordt er van uitgegaan dat de BHV-organisatie is ingericht met Safety and Health Officers, die zo nodig worden geassisteerd door bedrijfshulpverleners.
Handleiding opzetten BHV-organisatie
Dit is een handleiding voor het opzetten, onderhouden en continu verbeteren van een bedrijfshulpverleningsorganisatie volgens de NedCert BHV methode. Dit is het continu verbeteren van de veiligheid en de gezondheid in een organisatie met behulp van Safety and Health Officers (SHO'ers), dit zijn multi-inzetbare, uitwisselbare allround bedrijfshulpverleners, officieel aantoonbaar door het bezit van de vakbekwaamheid certificaten SEHSO + SEHCI.
Safety and Health Officers zijn bedrijfshulpverleners van hoger competentie niveau en als deze vakbekwame hulpverleners deel uitmaken van uw BHV-organisatie, sluit de kennis en vaardigheden van uw bedrijfshulpverleners perfect aan op de Nederlandse Norm NEN 4000.
Uitgangspunten
In Richtlijn 89/391/EEG, van 12 juni 1989, van de Raad van de Europese Gemeenschappen, betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, zijn verplichtingen vastgelegd voor werkgevers en werknemers over veiligheid en gezondheid op het werk. Alle landen van de Europese Unie moeten deze richtlijn verwerken tot nationale wetgeving en in Nederland is dit terug te vinden in de Arbeidsomstandighedenwet. In deze Wet wordt gesproken van het verlenen van bijstand door deskundige werknemers op het gebied van preventie en bescherming en deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening. Als uw deskundige werknemers in het bezit zijn van de certificaten SEHSO + SEHCI, heeft u zowel de bijstand op het gebied van preventie en bescherming (Art. 13 Arbeidsomstandighedenwet) als de bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening (Art. 15 Arbeidsomstandighedenwet) goed afgedekt. Deze deskundige werknemers kunnen worden ingezet als preventiemedewerker en als verantwoordelijke bedrijfshulpverlener.
Veiligheid en gezondheid op het werk zijn geïntegreerd in het totale beleid van de organisatie en kunnen alleen worden gerealiseerd, als er voor dit beleid draagvlak bestaat bij zowel werkgever als werknemers. Door de werkgever van de organisatie wordt, als onderdeel van het totale arbeidsomstandighedenbeleid, beleid geformuleerd voor het 'voorbereid zijn en reageren op noodsituaties' van de organisatie. Dit BHV-beleid wordt aan alle werknemers bekend gemaakt en is voorzien van een autorisatie van de werkgever. Om effectief op noodsituaties te kunnen reageren, wordt het bedrijfshulpverleningsplan schriftelijk vastgelegd en zo nodig periodiek herzien, zodat continue verbetering wordt bereikt. Voor de beheersing van noodsituaties wordt een BHV-organisatie opgezet die is voorzien van SHO'ers. Ieder jaar beoordeelt de directie (de werkgever) in een management review of het beleid continu geschikt, adequaat en doeltreffend is en wordt het beleid opnieuw geformuleerd. De TBV (Taken, Bevoegdheden en Verantwoordelijkheden) van functies in de BHV-organisatie zijn schriftelijk vastgelegd, de leden van de BHV-organisatie worden schriftelijk aangesteld en de BHV-organisatie is ingebed in de totale organisatie en is opgenomen in het organogram.
De BHV-organisatie functioneert onder andere op basis van de veiligheidsketen, die een aantal veiligheidstaken bevat:
-
pro-actie of pro-actieve preventie;
-
preventie;
-
preparatie;
-
repressie;
-
nazorg.
De werkgever is verantwoordelijk dat op de organisatie afgestemde preventieve, preparatieve en repressieve maatregelen genomen worden, zodat een adequate preventie, bescherming en bedrijfshulpverlening gewaarborgd zijn en goede nazorg wordt verleend en laat zich ten aanzien hiervan bijstaan door deskundige werknemers en andere deskundige personen. De arbeid moet zo zijn georganiseerd, dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en er moeten doeltreffende maatregelen zijn getroffen en doeltreffende verbindingen worden onderhouden. Elke werknemer moet bij ernstig en onmiddelijk gevaar voor zijn eigen veiligheid of die van anderen, passende maatregelen kunnen nemen om de gevolgen van een dergelijk gevaar te voorkomen. De werkgever zorgt dat de gevaren en risico’s zo veel mogelijk bij de bron worden aangepakt (pro-actie) en als dat niet mogelijk is, dat andere doeltreffende maatregelen worden genomen om gevaar te voorkomen en risico’s te elimineren (preventie) en dat deskundige werknemers die belast zijn met bedrijfshulpverlening zich door oefening en scholing goed voorbereiden (preparatie), waardoor zij bij calamiteiten en incidenten in staat zijn de gevolgen van ongevallen te beperken door adequate spoedeisende hulp te verlenen (repressie), waarna zij medewerking kunnen verlenen aan maatregelen die gericht zijn op de terugkeer naar de normale situatie (nazorg).
Veiligheid wordt geïntegreerd in de totale organisatie. Er wordt aangesloten bij het arbeidsomstandighedenbeleid van de totale organisatie. Van alle werknemers wordt verwacht het (preventieve) veiligheids- en gezondheidsbeleid van de organisatie te ondersteunen en zich bewust te zijn van de risico’s van de organisatie. Van alle werknemers, maar met name van de SHO'ers die belast zijn met preventie, bescherming en bedrijfshulpverlening, wordt verwacht initiatieven te nemen voor de verbetering van dit beleid, inclusief het bedrijfshulpverleningsplan en de BHV-organisatie. Door een gezamenlijk draagvlak, gebruikmaking van gezamenlijke expertise en toepassing van gezamenlijke kennis en vaardigheden, wordt niet alleen de BHV-organisatie door van opgedane kennis en ervaring te leren continu verbeterd, maar wordt de veiligheid binnen de totale organisatie bevorderd door een pro-actieve houding van zowel het management als de werknemers.
Voor een goede uitvoering moeten de SHO'ers beschikken over de benodigde materialen en uitrusting en moeten er voldoende SHO'ers aanwezig zijn en zij zijn zo georganiseerd, dat zij de bijstand naar behoren kunnen verlenen. Het aantal SHO'ers moet zijn gebaseerd op de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E), daarom moet een organisatie bij het opzetten van een BHV-organisatie beginnen met het verrichten en opstellen van een RI&E. Naast de RI&E wordt bij de organisatie van de bedrijfshulpverlening rekening gehouden met maatgevende factoren.
Maatgevende factoren zijn:
-
de aard, de grootte en de ligging van het bedrijf of de instelling;
-
de in het bedrijf/instelling aanwezige gevaren (ook gevaren in de omgeving) en voor het bedrijf/instelling maatgevende brandscenario's;
-
het redelijkerwijs te verwachten aantal aanwezige werknemers en andere personen alsmede de tijdstippen waarop zij aanwezig zijn;
-
het redelijkerwijs te verwachten aantal personen dat zich bij een ongeval of brand niet zelfstandig in veiligheid kan brengen;
-
de opkomsttijd en mogelijkheden van brandweer en andere hulpverleningsorganisaties;
-
de aanwezigheid van een infrastructuur op het gebied van de arbeidsomstandigheden;
-
de mogelijkheid om met andere arbeidsorganisaties samen te werken;
-
de aantoonbare deskundigheid van deskundige werknemers en andere personen.
Naar aanleiding van de RI&E wordt bepaald wat de geïdentificeerde risico’s van de organisatie zijn en welke daarvan als de belangrijkste risico’s worden geclassificeerd, op basis waarvan de organisatie een Plan van Aanpak (PvA) moet opstellen. De risico's worden aangepakt volgens de arbeidshygiënische strategie. Na eliminatie (of beperking) van de meeste risico's zal uiteindelijk een aantal risico's overblijven. Dit zijn de restrisico's, waarvoor het laatste PvA, het bedrijfhulpverleningsplan, wordt opgesteld. Om het bedrijfshulpverleningsplan uit te kunnen voeren, wordt een BHV-organisatie opgezet en ingericht. Om een BHV-organisatie goed op te zetten, te onderhouden en continu te verbeteren, zijn bij de dynamische verbetermethode van NedCert eisen vastgelegd waaraan een organisatie moet voldoen.
De vijf eisen zijn:
-
De organisatie moet een RI&E hebben uitgevoerd;
-
De organisatie moet een BHV-plan hebben opgesteld;
-
De organisatie moet een BHV-organisatie hebben opgezet en ingericht, voorzien van SHO'ers, bijgestaan door bedrijfshulpverleners, in het bezit van het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener;
-
De organisatie moet aan de hand van de dynamische verbetermethode de BHV-organisatie, inclusief het bedrijfshulpverleningsplan, continu verbeteren;
-
De directie van de organisatie moet regelmatig het BHV-beleid (inclusief het bedrijfshulpverleningsplan en de BHV-organisatie) beoordelen om de continue geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan te bewerkstelligen en het betreffende beleid (als onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid) formuleren.
Nadere uitwerking van de betekenis van de gestelde eisen
1) De organisatie moet een RI&E hebben uitgevoerd;
De SHO'er verleent medewerking aan het verrichten en opstellen van de RI&E. In de RI&E wordt onder meer het volgende schriftelijk vastgelegd:
-
de risico's en gevaren die de arbeid voor de werknemers met zich mee brengen;
-
de risico-beperkende maatregelen (Plan van Aanpak) ;
-
de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.
De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat deze geen nadelige invloed heeft op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer. Als uit de RI&E blijkt dat dit toch het geval is, moet de werkgever de gevaren en risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperken en mag pas als dit niet mogelijk is andere doeltreffende maatregelen nemen, waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming. Pas als laatste mogelijkheid mogen doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) aan de werknemer ter beschikking worden gesteld. Een Plan van Aanpak (PvA), waarin de risico-beperkende maatregelen zijn beschreven, maakt deel uit van de RI&E. Ook wordt in het PvA aangegeven binnen welke termijn de maatregelen zullen zijn genomen. De werkgever voert overleg met de Ondernemingsraad (OR) of de personeelsvertegenwoordiging (PVT) over het arbeidsomstandigheden-beleid. In ondernemingen waarin minder dan 10 personen werkzaam zijn, voert de werkgever overleg met de belanghebbende werknemers over de RI&E en de organisatie van de deskundige bijstand. Deskundige werknemers en andere deskundige personen en de volgens Artikel 20 gecertificeerde deskundige of arbodienst, werken bij het verlenen van bijstand aan de werkgever samen. De werkgever moet de RI&E laten toetsen en daarover advies laten uitbrengen door een (interne) deskundige die, volgens Art. 20 Arbeidsomstandighedenwet, in het bezit is van een certificaat voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, arbeidshygiëne, veiligheidskunde of arbeids- en organisatiekunde. Dit wordt de maatwerkregeling genoemd. Als de bijstand niet volgens de maatwerkregeling is georganiseerd, dan moet de werkgever zich laten bijstaan door een volgens Art. 20, gecertificeerde arbodienst die bij voorkeur deel uitmaakt van de onderneming. Dit wordt de vangnetregeling genoemd. Een schriftelijke kopie van dit advies wordt door de deskundige, gezonden aan de OR of PVT en als er geen OR of PVT is, wordt de kopie door de werkgever gezonden aan de belanghebbende werknemers. De RI&E en het PvA vallen onder het instemmingsrecht van de OR of PVT en als er geen OR of PVT is, onder het adviesrecht van de personeelsvergadering. De RI&E hoeft niet te worden getoetst, indien de werkgever arbeid laat verrichten voor totaal 40 uur per week of bij ten hoogste 25 werknemers, mits gebruik wordt gemaakt van een model voor het opstellen van een RI&E, dat is opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO), of plaats vindt bij regeling door een bevoegd bestuursorgaan of een regeling waarover de werkgever schriftelijk overeenstemming heeft bereikt met de OR of PVT. Op basis van de RI&E moeten de risico’s worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Omdat de RI&E altijd actueel moet zijn, moet het worden onderhouden. De RI&E moet zo dikwijls worden aangepast als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat elke verandering in de organisatie moet worden doorgevoerd in de RI&E.
2) De organisatie moet een BHV plan hebben opgesteld;
Door de in het BHV plan, aan de hand van vooraf opgestelde risicoscenario's, vastgelegde noodplannen, procedures en werkinstructies regelmatig te oefenen, bereidt de BHV-organisatie zich voor op noodsituaties. Door de doelstellingen van het bedrijfshulpverleningsplan meetbaar te maken met prestatie-indicatoren, kan worden bepaald of de doelstellingen zijn bereikt. Tijdens (de evaluatie van) een inzet of oefening zal dan blijken of het bedrijfshulpverleningsplan geschikt, adequaat en doeltreffend is en zo nodig moeten preventieve en/of corrigerende maatregelen ter verbetering worden geformuleerd en geïmplementeerd. Het bedrijfshulpverleningsplan is het laatste PvA dat wordt opgesteld voor het beheersen van risico's binnen een organisatie en bevat alle informatie, maatregelen en voorzieningen om volgens van te voren opgestelde procedures bij ongevallen, calamiteiten en incidenten de gevolgen te minimaliseren en adequate spoedeisende hulp te verlenen, totdat de externe hulpverleningsdiensten zijn gearriveerd. Er moet altijd als eerste worden vastgesteld welke maatregelen op het gebied van bedrijfshulpverlening al binnen de organisatie zijn genomen (nulmeting), waarna aan de hand van de uitkomsten van de RI&E en de maatgevende factoren het bedrijfshulpverleningsplan wordt opgesteld.
De inhoud van een BHV plan
Het BHV plan wordt zodanig opgesteld dat het gemakkelijk kan worden aangepast. Een goed BHV plan is beknopt van omvang, en is voor iedereen (ook voor externe hulpverlening) te begrijpen. Een documentatiebeheerder bewaakt de actualiteit van het BHV plan. Het BHV plan bestaat uit de volgende onderdelen:
-
inhoudsopgave;
-
algemeen deel;
-
noodplannen;
-
flow-sheets (stroomschema’s);
-
bijlagen.
Naast het algemeen deel bestaat het BHV plan uit noodplannen, met ten minste een:
-
preventie- en preparatieplan (inclusief hulpmiddelen, opleidingsplan en oefenschema);
-
communicatieplan;
-
ontruimingsplan;
-
calamiteitenplan;
-
continuïteitsplan;
-
nazorgplan.
Afhankelijk van de restrisico’s van een organisatie kan zijn voorzien in diverse andere noodplannen. Met een plan wordt in dit verband bedoeld een zeer beknopte omschrijving van het proces.
Algemeen deel
In het algemeen deel worden de algemene gegevens van de organisatie en de inbedding van de BHV-organisatie in de totale organisatie beschreven. Er kan zeer kort worden beschreven wat de uitgangspunten zijn voor het bedrijfshulpverleningsplan en wat de scope van het plan is, waarbij beknopt is aangegeven welke arbeid wordt verricht, wat de risico's en de genomen maatregelen zijn, wat de alarmprocedure inhoudt, welke functie bepaalt dat een noodplan in werking treedt en wordt ingetrokken, door welke SHO'ers de bijstand wordt verleend (schriftelijke aanstelling), de vakbekwaamheid SEHSO en SEHCI, waarmee de bekwaamheid van de SHO'ers officieel wordt aangetoond, de TBV van de SHO'ers, de aanwezigheid en hoe de vervanging is geregeld, wie de kopiehouders van het plan zijn, afstemming op en afspraken met de externe hulpverleningsdiensten en omliggende organisaties en hoe de gefaseerde opschaling is geregeld. Tevens zijn alle belangrijke telefoonnummers hier vermeld en is een procedure opgenomen voor het documentenbeheer.
Preventie- en preparatie plan
In het preventie- en preparatieplan zijn alle preventieve maatregelen opgenomen. Hieronder worden bijvoorbeeld verstaan de aanschaf en het onderhoud van kleine blusmiddelen, het onderhoud en testen van de brandmeldcentrale, de controle op vluchtwegen en nooduitgangen, de aanschaf en het onderhoud van verbandmiddelen, het hartmassage-apparaat CPREzy, vluchtroute-aanduiding en alle specifieke maatregelen die de organisatie heeft genomen en voorzieningen die de organisatie heeft geïmplementeerd om werknemers te beschermen tegen gevaren. Tevens zijn de opleidingen, nascholingen, veiligheidstrainingen en oefeningen ten aanzien van preventie, bescherming en bedrijfshulpverlening hier beschreven. Een opleidings- en oefenschema moet zijn opgenomen en er moet blijken hoe en wanneer de SHO'ers aan de eisen van het onderhoud van de vakbekwaamheid certificaten blijven voldoen. Alle TBV moeten per functie schriftelijk zijn vastgelegd.
Communicatieplan
Adequate communicatie tijdens een crisissituatie zal beter verlopen als van te voren een communicatieplan is opgesteld. Dit houdt in dat de organisatie moet hebben vastgelegd hoe intern en extern de voorlichting zal worden verzorgd en hoe zal worden gecommuniceerd, om uitgaande van een bestaande (ongewenste) situatie een gewenste situatie te kunnen bereiken. Alle TBV moeten per functie schriftelijk zijn vastgelegd en er moet een Crisis Management Team (CMT) zijn samengesteld. Een belangrijke taak van het CMT is het zeker stellen van de continuïteit van de organisatie. Gebruik wordt gemaakt van ervaring van de organisatie zelf en van ervaring van andere organisaties ten aanzien van ongevallen, calamiteiten en incidenten (best practices). De oplossing van een crisis begint met het opstarten van crisiscommunicatie, waarbij het initiatief tot communiceren door een pro-actieve houding bij de organisatie moet liggen.
Ontruimingsplan
Het ontruimingsplan moet alle maatregelen en procedures bevatten voor de ontruiming van een gebouw. Alle TBV moeten per functie schriftelijk zijn vastgelegd. Er is de NEN 8112, waarin aanbevelingen voor het opstellen van een ontruimingsplan gegeven worden.
De BHV-organisatie moet, indien vergunningplichtig, aansluiten op de in de gebruiksvergunning (omgevingsvergunning) gestelde eisen betreffende ontruiming. Het ontruimingsplan moet een goedkeuringsstempel van de brandweer bevatten en moet zowel een situatietekening (ligging) als een tekening waarop alle vluchtrichtingen, alarmering, hulpverleningsmaterialen en technische voorzieningen zijn aangegeven, bevatten. Het ontruimingsplan bevat ook een logboek.
Calamiteitenplan
In het calamiteitenplan, moet in procedures zijn vastgelegd hoe restrisico's worden beheerst en bij verschillende organisaties zal het accent op verschillende restrisico’s liggen (zorg-op-maat). Voor ieder geïnventariseerd groter restrisico moet een procedure worden opgesteld aan de hand van een risicoscenario (worst-case scenario). Alle TBV moeten per functie schriftelijk zijn vastgelegd en er moet een overzicht van de voor de organisatie specifieke risicoscenario's zijn opgenomen. Door een oefening of inzet te evalueren, wordt bepaald of het PvA aangepast moet worden en of verbeteringen in het bedrijfshulpverleningsplan moeten worden geïmplementeerd.
Continuïteitsplan
In dit plan zijn van te voren alle maatregelen beschreven voor de garandering van de continuïteit van de organisatie. Alle TBV moeten schriftelijk zijn vastgelegd.
Nazorgplan
In dit plan zijn van te voren alle maatregelen beschreven die in verband met nazorg kunnen worden genomen. Tevens is beschreven welke functie hiervoor verantwoordelijk is.
3) De organisatie moet een BHV-organisatie hebben opgezet en ingericht, voorzien van SHO'ers, bijgestaan door bedrijfshulpverleners, in het bezit van het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener;
Op basis van de belangrijkste restrisico's, de maatgevende factoren en de vastgelegde TBV, wordt een BHV-organisatie opgezet en ingericht, welke een voorpost functie vervult voor de externe hulpverleningsdiensten en wordt vastgesteld hoeveel SHO'ers en bedrijfshulpverleners voor de beheersing van noodsituaties noodzakelijk zijn (kwantiteit van de BHV-organisatie). Het aantal SHO'ers dat nodig is kan hier gratis worden berekend. De SHO'ers moeten alle andere werknemers voorlichten, instrueren en informeren op het gebied van veiligheid en gezondheid. Reeds aanwezige expertise in een organisatie, moet worden ingezet bij het inrichten van een BHV-organisatie. Dit betreft expertise op het gebied van inkoop en budgetbeheer, leiding geven, communicatie en voorlichting, ICT, preventie, risicomanagement, slachtofferhulp, crisismanagement, vaststellen van beleidsdoelstellingen, werken met gevaarlijke stoffen etc. Als binnen de organisatie kennis en vaardigheden op dergelijke gebieden aanwezig zijn, dan moet deze expertise ook worden ingezet ten behoeve van de BHV-organisatie of het CMT. Als er binnen een organisatie reeds kennis en vaardigheden aanwezig zijn op hulpverleningsgebied (bijvoorbeeld artsen in een ziekenhuis of personen die in een bepaalde rang lid zijn van de brandweer), dan moet daar gebruik van worden gemaakt.
Daarom is bij deze methode sprake van twee vakbekwaamheid gebieden:
-
SEHSO spoedeisende hulpverlening bij slachtoffers;
-
SEHCI spoedeisende hulpverlening bij calamiteiten en incidenten.
De organisatie bepaalt welke SHO'er een leidinggevende- of organisatorische functie krijgt, welke leidinggevende vervolgens als zodanig schriftelijk wordt geïdentificeerd (aangesteld) en uit het bedrijfshulpverleningsplan moet blijken hoe in de vervanging van de leidinggevende functie is voorzien. Alle TBV moeten schriftelijk zijn vastgelegd. De calamiteit vindt plaats daar waar de BHV-organisatie zich bevindt, daarom kan er niet van uitgegaan worden dat de volledige BHV-organisatie intact is en zal voor adequate vervanging moeten zijn gezorgd.
NedCert SEHSO + SEHCI = SHO'er
De SHO'ers voldoen aan de omschrijving die op hen van toepassing is, uit de Arbeidsomstandighedenwet inzake het verlenen van bijstand en zijn als deskundige werknemers onder andere in staat, medewerking te verlenen aan het verrichten en opstellen van een RI&E, de OR of PVT te adviseren en nauw met hen samen te werken, mee te werken aan de uitvoering van (preventieve) maatregelen gericht op een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid, adequate hulp te verlenen aan slachtoffers en bij calamiteiten en incidenten, medewerking te verlenen aan het opzetten en onderhouden van het bedrijfshulpverleningsplan en de BHV-organisatie, leiding te geven aan een hulpverleningsploeg, de inzet van deze ploegen te coördineren en zijn volledig uitwisselbaar, waardoor in geval van nood de ene SHO'er de andere direct kan vervangen. Doordat zij in vrijwel iedere noodsituatie adequaat kunnen handelen op uitvoerend en op leidinggevend niveau, zijn zij in staat binnen iedere organisatie zorg-op-maat te verlenen en zijn zij uitwisselbaar tussen organisaties uit diverse branches. Voor basis taken die door de BHV-organisatie moeten worden uitgevoerd, wordt in veel gevallen volstaan met een interne taakinstructie met veiligheidstraining en oefening. Ook voor de basis taken bestaat een certificaat, het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener.
NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener
De NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener is in staat de basis taken van bedrijfshulpverlening uit te voeren, waarbij de werkwijze volledig aansluit op die van de SHO'er. Personen in het bezit van het certificaat NedCert BHV-Bedrijfshulpverlener worden ingezet als ondersteuning van de SHO'er, of bij organisaties met weinig risico als de bedrijfshulpverlener.
Beroepscompetentieprofiel
De competenties van een SHO'er staan hier vermeld onder het onderwerp van certificatie dat is beschreven in een competentieprofiel. Hier staan ook de competenties van de NedCert BHV Bedrijfshulpverlener in een competentieprofiel vermeld.
4) De organisatie moet aan de hand van de dynamische verbetermethode de BHV-organisatie, inclusief het bedrijfshulpverleningsplan, continu verbeteren;
Bij de NedCert methode wordt er van uitgegaan dat een BHV-organisatie, ondanks goede preventieve maatregelen, kan worden geconfronteerd met een probleem dat gezamenlijk moet worden opgelost, waarna vervolgens moet worden gezorgd dat dit probleem zich in de toekomst niet meer kan voordoen. Alle SHO'ers zijn daarom op hetzelfde adequate niveau opgeleid, zodat het mogelijk is gebruik te maken van de intelligentie, de vakbekwaamheid en het vermogen om beslissingen te nemen, van de gecertificeerde. Er is daardoor continu sprake van het vermogen om aan de hand van informatie vanuit een steeds veranderende omgeving de doelstellingen continu aan te passen, waardoor, het gedrag van de SHO'ers, en de BHV-organisatie als geheel, continu verbetert. De wijze waarop de organisatie tijdens een inzet of oefening heeft gereageerd wordt geëvalueerd, zodat hiervan kan worden geleerd, wat de aanzet geeft tot continue verbeteringen in de vorm van preventieve- en corrigerende maatregelen, die na een beoordeling worden geïmplementeerd in het bedrijfshulpverleningsplan.
5) De directie van de organisatie moet regelmatig het BHV-beleid (inclusief het bedrijfshulpverleningsplan en de BHV-organisatie) beoordelen om de continue geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan te bewerkstelligen en het betreffende beleid (als onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid) formuleren.
De werkgever beoordeelt het BHV-beleid regelmatig, bijvoorbeeld jaarlijks, als onderdeel van de beoordeling van het totale arbeidsomstandighedenbeleid (management review van het arbomanagementsysteem). Daarbij wordt beoordeeld of het gevoerde beleid heeft voldaan aan de doelstellingen die van te voren SMART zijn opgesteld, om te zorgen dat dit continu geschikt, adequaat en doeltreffend is. Uit de beleidsverklaring die volgt uit de beoordeling door de directie, moet blijken dat de werkgever, die immers verantwoordelijk is, betrokken is bij de opzet, het onderhoud en de continue verbetering van de BHV-organisatie. Bij de volgende beoordeling door de directie wordt vastgesteld of de doelstellingen zijn behaald en wordt het arbeidsomstandighedenbeleid zo nodig bijgesteld. Ook voor het BHV-beleid betekent dit dat nieuwe doelstellingen kunnen worden geformuleerd en geïmplementeerd.
Slot
Door de BHV-organisatie in te richten met SHO'ers, die in staat zijn om voor deskundige bijstand aan de werkgever, van uitvoerend tot leidinggevend niveau, de dynamische verbetermethode volgens NedCert toe te passen, zal tijdens voorbereiding en reactie op noodsituaties steeds meer geleerd worden van ervaringen en worden deze nieuwe inzichten in het bedrijfshulpverleningsplan geïmplementeerd. Tevens zal door de toepassing van onze methode bij alle (veiligheids)werkzaamheden het beleid voor veiligheid en gezondheid worden geïntegreerd in het beleid van de totale organisatie, omdat draagvlak ontstaat bij zowel werkgever als werknemers, wat een positieve bijdrage zal leveren aan de continuïteit van de totale organisatie.